Vluchteling


Vluchtelingen, 24-07-2019 BNNVARA, npo1 'Gaan'

 Twee jaar heb ik er mogen werken, in een asielzoekers centrum. Ik weet wie dat zijn, vluchtelingen.

Ja het klopt, sommige deugen voor geen cent, boeven zijn het. En er zijn er ook die tandarts zijn, en stratemakers, die zijn er ook. Sommige houden van een fietsen en anderen van dammen. Ze zijn als u en ik, niet braver niet slechter.

Uiteraard zijn er veel jongemannen bij, want voor hen is vluchten minder gecompliceerd dan voor de oude mensen en ook met gezinnen is het lastig. En zoals u weet veroorzaken jonge gasten vol frustratie en testosteron soms onrust, dat dan weer wel. We hadden wel eens bezoek van de politie, dat klopt. En soms miste iemand zijn moeder zo erg dat hij troost van een andere moeder nodig had, mij.

 Toen ik daar werkte was er een prachtig gezin, uit Syrië. Het waren eigenlijk drie gezinnen, van zoons die zich ontfermde over hun oude moeder. De liefde tussen deze mensen was hartverwarmend. Vanaf dag een was het aan tussen oma en mij. We verstonden elkaar niet, maar we begrepen elkaar prima. Als ik in de buurt kwam kreeg ik een knuffel. 

 Ik zag haar altijd zitten als ik aan kwam lopen, in de lange gang van de voormalige Bijlmerbajes. Mij zag ze niet, daar ze zo goed als blind was. Dus riep ik haar naam al van verre,:’Nadja!’ Dat mocht ik, we waren on first name base, als oma’s onder elkaar. Haar ogen zochten mij dan en als ik dichtbij was ontving ik mijn dagelijkse omhelzing. Soms kreeg ik een koekje, dat ik absoluut niet weigeren mocht.

 Uiteindelijk kreeg ook de laatste zoon, een horlogemaker, zijn woning. Oma vertrok, ik was blij voor hen dat ze de deprimerende oude gevangenis verlaten konden en aan hun nieuwe toekomst beginnen. Ik wenste ze alle goeds.

 Na een paar maanden zocht de dochter mij op via de sociale media. Oma lag in een hospice, ze was erg ziek en ze wilde mij nog een keer zien. Ik ben de volgende dag direct gegaan, er was niet veel tijd meer. Ze lag als een klein vogeltje in het grote witte bed. Bij binnenkomst riep ik haar naam, dat mocht ik immers. Haar ogen zochten mij weer en even huilden wij. Tranen zijn universeel. Ik had een witte roos voor haar meegenomen en handcrème om haar handen zachtjes even te masseren. Wat kun je anders doen.

 Via haar zoon vertelde ze mij dat ze op een vierde zoon wachtte, hij woonde in Australië en ze had hem ruim 20 jaar niet gezien. Ze ging hem zien, en dan was het tijd om naar Jezus te gaan, zei ze. Toen ze moe was ging ik. De straat met de Amsterdamse tram, patat etende duiven en druk pratende mensen was even wat veel overgang. Ik voelde me machteloos, verdrietig, maar ook dankbaar dat ze om mij had gevraagd.

 Ze zag de volgende dag de zoon, en vlak daarna ging ze, naar onze lieve heer. De vluchteling, de asielzoeker.

 Zoveel verhalen zijn er, soms horen we er van, meestal niet. Mochten wij ooit vluchteling moet worden, dan hoop ik dat er ook voor ons een plaats zal zijn waar wij kunnen rusten.

 Nadja, deze was voor jou. Je naam op de Nederlandse radio, je was welkom.

 

 

Comments
* De e-mail zal niet worden gepubliceerd op de website.