Nachtdienst


Het leger van de nacht. 8-5-2019 BNNVARA ‘Gaan’

Het licht maakte hem wat vaal, maar hij voelde zich goed, de man van het pompstation. Hij werkte al negen jaar in de nacht. Hij lachte vriendelijk naar de twee agenten die binnen kwamen. Ze kochten flesjes water en een gevulde koek. Met een blik van verstandhouding verdwenen ze in de nacht. Zojuist hadden ze een meisje geholpen, ze had tot sluitingstijd drankjes geschonken, had daarna de bar schoongemaakt, was op haar fiets gestapt naar huis. Ze was aangereden door een hevig geschrokken taxichauffeur. Gelukkig was er hulp, een beveiligingsman en een receptionist van een hotel schoten direct toe. De agenten waren snel ter plaatse en hadden haar gerustgesteld tot de ambulance kwam.

De man van het pompstation wist dat niet, hij wist alleen dat hij nodig was soms. Hij wist dat zijn shop een baken in de nacht was voor vrachtwagenchauffeurs. Hij zorgde dat de ketel koffie vol bleef en de broodjes bal warm. Hij bood troost en saamhorigheid aan het leger van de nacht. Hij had in de krant gelezen dat het niet gezond was, niet voor je lichaam en niet voor je geest. Maar hey, als er geen nachtwerkers waren stopte de wereld met draaien. Kunnen we zonder Interpol? Zonder bakkers en zonder psychiatrie in de nacht? Iemand moest het doen, de man was iemand.

Hij veegde de vloer, het was rustig nu. Hij strekte zijn rug en dacht aan zijn zachte bed. Zijn vrouw sliep op zijn kant, als hij koud en moe thuis kwam schoof ze op zodat zijn plekje warm was. Dat was liefde, wist hij. Hij nam voor haar altijd twee croissantjes mee, die deed hij in haar tas zodat ze iets lekkers had op haar werk. Een stewardess kwam binnen, ze rekende af en keek hem aan. Bijna thuis zeiden haar ogen hem. Ze kwam net uit Singapore, nu even rust en dan...ze zou in haar agenda moeten kijken, ze wist het niet zeker. Toen ze wegging van de luchthaven had ze vriendelijk geknikt naar het schoonmaakpersoneel. De douanemensen kenden haar, er zat een leuke jongen tussen jammer dat hij vannacht geen dienst had.

Bijna was het zover. De man zette de radio iets harder. Hij wachtte op iemand, iemand die hem het laatste deel van zijn dienst zou doorhelpen. Daar was het al, hij hoorde een warme, geruststellende stem. Ongemerkt speelde er een glimlach op zijn lippen, Morad was er. Misschien wist Morad het niet, maar door hem ontspande de rug van de man. Hij leunde op zijn toonbank, waar ging het over vandaag? Zou hij een keer bellen? Hij dacht niet dat hij dat durfde.

Twee artsen kwamen binnen, ze moesten nog een stukje met de auto naar huis. Even een kop koffie na het tanken. De kranten werden gebracht door de man met het kleine blauwe autootje, het laatste nieuws. De man rook de inkt, lekker. Het licht kwam al door buiten, een eenzame hond stond bij de deur, waar kwam die toch vandaan? Soms was hij er en dan ging hij weer weg. Hij gaf hem een worstje. ‘Jij ook nachtdienst, makker?’ De hond keek hem aan met een lachende snuit, dat hebben sommige honden van nature. ‘We gaan naar de laatste woorden van Jacqueline...’hoorde hij Morad zeggen. In de verte zag hij de auto van zijn aflos aankomen, einde dienst.

Comments
* De e-mail zal niet worden gepubliceerd op de website.