Geweld tegen hulpverleners


Geweld tegen hulpverleners 21-05-2019 bnnvara 'Gaan' npo1 radio


Een poosje terug zat ik in een ambulance. Voorin, gelukkig voor mij. Ik was daar werkgerelateerd, mijn tas op schoot op weg naar een nacht in een ziekenhuis. Achterin lag een hevig zieke patiënt uit de psychiatrische kliniek. Zorgvuldig werd ze door de twee verpleegkundigen onderzocht en uiteindelijk meegenomen. Onderweg had ik een gesprek met de man naast mij. Hij had een zachte uitstraling, zijn handen ontspannen aan het stuur, zijn blik op het verkeer voor hem dat soms nogal onvoorspelbaar reageerde op de komst van een ambulance met sirene.

‘Heftig werk, wat jij doet.’zei hij. Ik keek verbaasd zijn kant op. ‘Ik dacht hetzelfde over jou eigenlijk.’ zei ik. Hij glimlachte. Hij vertelde me dat zijn werk inderdaad pittig was. Aan de ernstige verwondingen en sterfgevallen was hij na al die jaren wel gewend, zei hij. Hoewel het diep van binnen nooit echt helemaal normaal werd, zeker niet als het kinderen betrof. Ik staarde naar de weg voor ons. Ik zou niet kunnen doen wat hij doet, dacht ik. Ik voelde respect voor hem. Alsof hij dat aanvoelde zei hij,: Tegenwoordig is er geen respect meer voor mensen in uniform, weet je. Vroeger was dat anders.’

Hij legde me uit dat mensen agressief op hen reageerden, soms. Als er iemand onwel geworden was in een kroeg bijvoorbeeld. De mensen hebben dan drank op. Het duurt even voor een ambulance ter plekke is. Daar is dan soms weinig begrip voor. Af en toe moest hij wegduiken voor een bierglas. Uitgescholden worden was bijna normaal. Ik keek vol ongeloof naar de vriendelijke man in neongeel en vreemd groen naast me.’Soms kunnen we iemand niet meer redden.’zei hij gelaten. ‘En dan worden mensen boos, omdat er niemand is om boos op te worden worden ze het maar op ons.’

Ik dacht terug aan laatst, ik wilde naar de trein maar de straat was afgezet. Een jonge agent vertelde mij dat er een incident gaande was, dat we even om moesten lopen. Aan al de politiewagens te zien was het flink mis, dacht ik. En toen ik later die middag de beelden zag werd dat bevestigd. Twee agenten werden belaagd door twintig man, omdat ze hun werk deden. Het zag er vreselijk uit, ze leken in het nauw gedreven katten. Ik dacht zelfs de angst op hun gezichten te kunnen lezen. Ze sloegen van zich af, dat snapte ik wel. Dat was bij ons om de hoek, gewoon in Utrecht.

‘En jij dan?’ ik werd uit mijn gedachten gehaald door de man naast me. Ik heb veel meegemaakt, dat klopt. Ik legde uit hoe wij getraind zijn om met geweld om te gaan. Wij pareren respectvol en pijnloos. Wij vergeven en begrijpen of proberen te begrijpen. Ooit ben ik bijna doodgeslagen.’ bekende ik. Ik liet hem het litteken op mijn voorhoofd zien. ‘Aan mijn haar tegen de stalen rand van de centrale verwarming. Hij was even stil. ’Ooit gedacht een een baan op kantoor?’ Ik vertelde hem dat ik na mijn incident een vacature in de krant staan voor een baan als koffiejuffrouw bij een natuurvorsers centrum. Daar zat ik met mijn hechtingen en blauwe plekken, ik verlangde naar de fuut en de spreeuw. Ik heb het niet gedaan, de brief bleef ongeschreven.

We kwamen aan bij het ziekenhuis, zijn collega en hij leverde de patiënt veilig af bij de eerste hulp. ‘Goede dienst mevrouw.’ wenste hij mij, ik wenste hem hetzelfde. Op de eerste hulp hing een groot bord waar op stond dat schreeuwen en geweld niet toegestaan waren. Ik kreeg een kopje thee.


Comments
* De e-mail zal niet worden gepubliceerd op de website.